Harry Braverman

Automatisering: belofte en dreiging | Marx in de moderne wereld

 


Bron: Archief Harry Braverman in het Engelstalig MIA, Automation: Promise and Menace | Marx in the Modern World
Vertaling: Nederlandstalig MIA
| Hoe te citeren? — Graag bronvermelding !


Verwant
De waar – gebruikswaarde en ruilwaarde
Diensten, waarde en meerwaarde
Machinerie en grootindustrie

Automatisering: belofte en dreiging

Uit American Socialist, oktober 1955.

Hier in Amerika staan we aan de vooravond van een opmerkelijke sprong voorwaarts in het productieproces. Automatisering, de naam die wordt gegeven aan een algemene theorie en praktijk van semi-automatische productie, planning en controle, is een echte innovatie, niet louter ‘een beetje meer van hetzelfde’. Het is al in opmars en zal in snel tempo aan reikwijdte winnen. Het zal verpletterende gevolgen hebben voor de economie.

Net als alle technische innovaties die die naam waardig zijn, is automatisering een manier om meer en beter te produceren met minder arbeidstijd. Dat kan problemen geven voor ons economisch systeem. Het kapitalisme heeft namelijk de neiging om de normale manier van denken over economische problemen om te draaien. Wat komt er bij iedereen op als hij hoort dat we grote voorraden koopwaren opstapelen, is het dan niet van: ‘problemen in het verschiet'? En als we een kleine voorraad koopwaren hebben, wordt dat opgevat als een teken dat we er goed voor staan. Omdat het een economie is die produceert voor winst in plaats van voor gebruik, gedijt zij bij schaarste en stort zij in als gevolg van juist die situatie waarover mensen het meest blij zouden moeten zijn: wat een ‘overvloed’ wordt genoemd aan dingen die we consumeren.

Sommigen hebben hardnekkig geweigerd iets nieuws te zien in automatisering. Tijdens een recente discussie, georganiseerd door de League for Industrial Democracy, spotte Sol Barkin, onderzoeksdirecteur van de CIO Textile Workers Union, met de hele zaak en wees hij ‘stijgende productiviteit’ aan als de echte dreiging; maar automatisering is een ander middel om de productiviteit te verhogen, ongeëvenaard in de menselijke geschiedenis. Anderen hebben geprobeerd automatisering te bagatelliseren als iets dat niet nieuw is, waarvan de principes al honderden jaren bekend zijn. Deze lijn wordt het vaakst gevolgd door woordvoerders van de industrie die de angsten proberen weg te nemen.

Het is waar dat het basisprincipe van automatisering regelmatig wordt toegepast, al minstens sinds James Watt in 1788 de centrifugaalregelaar uitvond. De thermostaat in uw huis, het apparaat dat de koelkast regelt of het stuurmechanisme dat al jaren op schepen wordt gebruikt, zijn andere al lang bestaande voorbeelden. Maar - en dit is het belangrijke punt - hoewel we in de afgelopen eeuwen wellicht een aantal zelfregulerende apparaten hebben gebouwd, is dat nog lang niet hetzelfde als het bedenken van een analytische theorie die de feiten samenvat en als leidraad dient voor de constructie van nieuwe apparaten. En het is nog een veel grotere sprong om dit idee te combineren met de elektronische machines die informatie razendsnel kunnen verwerken, opslaan en ernaar handelen, en vervolgens mechanische spieren aan deze elektronische hersenen koppelen - zoals een journalist het heeft uitgedrukt.

In de allereerste stoommachines bouwde James Watt het volgende mechanisme in: de as van de motor was zo ontworpen dat deze de as van een regelaar deed draaien, die bestond uit twee zware stalen ballen die aan de uiteinden van ronddraaiende armen waren bevestigd, welke op hun beurt waren verbonden met de stoomklep die de toevoer van stoom naar de motor regelde. Naarmate de snelheid van de motor toenam, gingen de ronddraaiende armen door de middelpuntvliedende kracht steeds verder naar buiten. Maar terwijl ze naar buiten bewogen, sloot de hefboom waaraan ze waren bevestigd de stoomklep en remde de machine af; vervolgens, naarmate deze afremde, openden de armen door naar binnen te vallen de stoomklep weer en verhoogden ze het toerental van de machine. Door de lengte van de armen, het gewicht van de flyballs en de remming - die voorkwamen dat het mechanisme in beide richtingen te ver doorschoot - te variëren, konden de snelheidsgrenzen worden geregeld.

Dat is nu een echt voorbeeld van automatisering, ondanks het feit dat het eenvoudig is, omdat het zichzelf automatisch regelt en reguleert binnen een gesloten systeem; een deel van de energie die het produceert, wordt teruggevoerd naar het systeem om de werking ervan te sturen. Daarom is de term ‘feedback’ een cruciaal begrip in de automatisering geworden. De moderne automatiseringssystemen zijn niet meer zo eenvoudig als de centrifugaalregelaar of de thermostaat. Ze zijn afhankelijk van verschillende mechanismen die tijdens de oorlog zijn ontwikkeld: de computers of machines voor gegevensverwerking en -opslag, en het servomechanisme, oftewel apparaten die signalen doorgeven en deze versterken tot vermogen om de motoren en drijfstangen aan te drijven die de machine zelf laten werken.

Zonder uitgebreid in te gaan op de technische details van deze nieuwe machines, moet één ding duidelijk zijn: het belangrijkste feit dat deze regelmechanismen hun nut en superioriteit geeft, is de snelheid van elektrische impulsen en het enorme aantal daarvan dat door de moderne elektronische wetenschap in één enkel instrument kan worden benut. De regelaar kan, door mechanisch een hendel te manipuleren, één enkel signaal naar de motor sturen, en dat nog heel langzaam. Maar de elektronica kan miljoenen regelbare impulsen versturen met bijna de snelheid van het licht, waardoor zelfregulerende systemen van de grootste complexiteit en snelheid mogelijk worden, die de simpelste werking van het menselijk brein benaderen.

Wat kunnen deze machines doen? Laten we kijken naar wat ze doen. In de administratieve sector worden de machines in hoog tempo ingezet, omdat er, zodra de elektronische computer eenmaal is gebouwd, maar heel weinig hoeft te worden aangepast om hem geschikt te maken voor kantoorwerk. Een IBM-rekenmachine kan in één seconde meer dan 32.000 vermenigvuldigingen uitvoeren met getallen van twee cijfers die elk 13 cijfers tellen. Bij een recente test had een administratief medewerker 540 seconden nodig om slechts één dergelijke som op te lossen, en kwam hij nog eens met het verkeerde antwoord! Commonwealth Edison uit Chicago krijgt binnenkort een IBM uit de ‘700-serie’ die de rekeningen voor 1.800.000 klanten zal berekenen en afdrukken, en 270 administratieve medewerkers zal inzetten waar nu 470 werkzaam zijn, en zal slechts de helft van de tijd in beslag zal nemen. De machine zal een ‘geheugen’ opslaan met de historische gegevens van elke klant, en als de huidige rekening te laag of te hoog lijkt, zal hij om een nieuwe meterstand vragen.

Verzekeringsmaatschappijen, nutsbedrijven en bedrijven met grote loonlijsten vinden deze machines uiterst nuttig; alle grote ondernemingen beschouwen ze als een onvoorstelbare arbeidsbesparing bij het plannen van activiteiten, het bijhouden van voorraden, enz. Warenhuizen zullen ze gebruiken om elke dag bij sluitingstijd informatie te verzamelen van alle kassa's in de winkel, of desgewenst uit een keten van winkels, en razendsnel een overzicht te leveren van de verkopen van elk artikel in de winkel, en tevens deze verkopen te vergelijken met de voorraad, inkooporders af te drukken en te versturen, en waar nodig de voorraad aan te vullen - en verder alles te doen behalve de rolluiken naar beneden te laten en de vloer te vegen. De gigantische dataverwerkers zijn al in gebruik bij enkele tientallen van de grootste bedrijven, zoals US Steel, General Motors, Metropolitan Life en General Electric, en de fabrikanten van de computers - IBM, Remington Rand en anderen - bereiden kleinere machines voor en brengen deze op de markt, die geschikt zullen zijn voor alle bedrijven behalve de allerkleinste.

Productieprocessen met continue doorstroming, met name wanneer er vloeistoffen of korrelvormige vaste stoffen bij betrokken zijn, kunnen eenvoudig worden geregeld door middel van de eenvoudige debietmeters en terugkoppelingsmechanismen die voor deze processen nodig zijn. Dat geldt voor olie, chemicaliën, meelproductie, enz. Een gemiddelde olieraffinaderij die 800 mensen in dienst zou hebben, zou slechts 12 mensen nodig hebben als de instrumentatie ten volle zou worden benut. Veel raffinaderijen werken al bijna op die basis en het is twijfelachtig of nieuwe raffinaderijen nog anders dan volledig geautomatiseerd zullen worden gebouwd. Een chemische fabriek in Bedford, Ohio, die maandelijks 650.000 pond gelachtige benzine produceert - beter bekend als napalm - heeft slechts vier mannen en een opzichter nodig voor het onderhoud van haar fabrieksterrein van 10.000 vierkante voet, en de productiekosten bedragen minder dan de helft van die bij de conventionele methode. De opwekking van elektriciteit door geautomatiseerde kernreactoren is in ontwikkeling: een voorbeeld hiervan is de centrale die momenteel in Pittsburgh wordt gebouwd en waar slechts zes mannen nodig zullen zijn om de hele stad van elektriciteit te voorzien.

Op het gebied van massaproductie van gestandaardiseerde eenheden wordt automatisering in hoog tempo ingevoerd, in de radio-, televisie-, elektronica- en andere industrieën. Ze beschikken nu over wat men de ‘printplaat’ noemt, waardoor veel handmatig bedraden en solderen overbodig wordt. De bedrading wordt rechtstreeks op de behuizing geëtst. Admiral Television installeerde een van de eerste robotproductielijnen; inmiddels zijn deze vrij gangbaar geworden. Philco Radio beschikt over een halfautomatische opstelling die 37 van de 40 soldeerders overbodig maakt. Een assemblagelijn voor radio's is erop gericht om 1.000 radio's per dag te produceren met slechts twee arbeidskrachten; een standaard assemblagelijn heeft 200 werkers nodig voor dezelfde output en, naar alle waarschijnlijkheid, zijn de producten uniformer, zijn de verbindingen storingsvrij, zijn de mechanismen bestand tegen extreme temperaturen en vochtigheid, kunnen ze met meer vrijheid worden ontworpen dan bij handmatige assemblage, en zijn de kosten natuurlijk lager, hoewel de verkoopprijs dat niet noodzakelijkerwijs is.

In de auto-industrie zijn de arbeidsbesparingen enorm. De fabriek voor automatische motoren van Ford in Cleveland produceert twee keer zoveel motoren als een traditionele fabriek, met slechts een tiende van het personeelsbestand, en de motorblokken doorlopen het proces in 15 minuten in plaats van de negen uur van vroeger. In één van de fabrieken voor personenauto's staat een machine die vroeger door 36 mannen werd bediend om spatborden op een transportband te plaatsen voor het spuiten; deze machine voert nu automatisch zes sets spatborden aan naar een snel draaiende carrousel, waar tegelijkertijd verschillende kleuren verf worden aangebracht. Eén arbeider bedient de hele installatie. Nash bewerkt cilinderkoppen met een methode die het aantal manuren terugbrengt tot 20 procent van de oude methode, en Pontiac gaat er prat op dat zijn motoren uit 1955 worden geproduceerd in een fabriek die ‘elke andere fabriek ter wereld overtreft’ wat betreft auto-uitrusting. Al met al wordt geschat dat een volledig geautomatiseerde auto-industrie slechts 200.000 werknemers nodig zal hebben om de huidige productie van een miljoen auto-arbeiders te realiseren.

Al deze voorbeelden hebben weliswaar betrekking op vrij repetitief werk, maar de automatische machines van vandaag de dag zullen ook de geschoolde vakman, met zijn lange jaren van leertijd achter de rug, gaan vervangen. Het Massachusetts Institute of Technology heeft drie servomechanismen en een computersysteem met terugkoppelingsregeling aangepast om de drie basisbewegingen van een universele freesmachine aan te sturen, en die machine kan werk verrichten dat doorgaans door een ervaren machinist wordt gedaan, simpelweg door het lezen van een ponsband door een ponsbandlezer. De besturingsapparatuur kan één machine of een reeks machines aansturen, en die hoeven niet eens in dezelfde ruimte te staan; ze kunnen zich net zo goed in een andere fabriek of zelfs in een andere stad bevinden.

Een van de eersten die de impact van de automatiseringsrevolutie zullen voelen, is de groep in de economie waarnaar de Marx-tegenstanders met zoveel trots hebben verwezen: de zogenaamde nieuwe middenklasse. De administratieve medewerkers vormen in economische zin niet echt een middenklasse. Zij maken, op grond van hun status als employé - en dan nog wel de laagbetaalden - deel uit van de arbeidersklasse en verrichten een ander soort werk dan de arbeider in zijn overall. De afgelopen jaren is deze groep, als gevolg van veranderingen in het technische proces en een toename van kantoorwerk, enorm gegroeid - van 5 miljoen in 1940 tot meer dan 8 miljoen in 1954, ofwel van 11 per 100 industriële arbeiders tot 16 per 100. Nu zal die trend zich scherp omkeren. Ook de enorme groep halfgeschoolde arbeiders - het grootste deel van de arbeidersklasse in het land - zal zwaar worden getroffen; een klasse van arbeiders die is ontstaan door de industriële revolutie en de opkomst van de massaproductie. Een groot wiskundige en wetenschapper die, waarschijnlijk meer dan wie ook, de titel ‘vader van deze nieuwe tak van de wetenschap’ verdient, Norbert Wiener, verwoordde het als volgt in zijn boek Cybernetics:

'Misschien kan ik de historische achtergrond van de huidige situatie wat verduidelijken door te zeggen dat de eerste industriële revolutie, de revolutie van de ‘duistere, satanische fabrieken’, neerkwam op de devaluatie van de menselijke arbeidskracht door de concurrentie van machines. Er bestaat geen loon waarmee een Amerikaanse arbeider die met een pikhouweel werkt, kan rondkomen, dat laag genoeg is om te kunnen concurreren met een graafmachine aangedreven met stoom. De moderne industriële revolutie zal op vergelijkbare wijze het menselijk brein devalueren, althans wat betreft de eenvoudigere en meer routinematige beslissingen. Natuurlijk, net zoals de geschoolde timmerman, de geschoolde monteur en de geschoolde naaister de eerste industriële revolutie tot op zekere hoogte hebben overleefd, zo zullen de geschoolde wetenschapper en de geschoolde bestuurder de tweede wellicht overleven. Maar als we de tweede revolutie als een feit beschouwen, heeft de gemiddelde mens met middelmatige of lagere kwalificaties niets te bieden dat voor iemand de moeite waard is om te kopen.'

Dat is nogal krachtige taal, maar ze zijn geschreven door een man die op dit gebied wist waar hij het over had, en bovendien bijna acht jaar geleden geschreven, nog vóór de industriële toepassing van zijn wetenschap ons met grote snelheid overviel. En ook vandaag de dag gaat het nog steeds razendsnel. In een boekje dat General Electric Corporation onder haar employés verspreidde, getiteld Automatisering - vriend of vijand?, stond het volgende:

'De werkgever moet automatiseren om te overleven ... Het is absoluut noodzakelijk ... dat hij elk aanzienlijk teveel aan overbodige werkers van zijn loonlijst schrapt.'

Zodra automatisering door één grote fabrikant in een sector wordt ingevoerd, moet deze snel ook door zijn concurrenten worden ingevoerd, op straffe van snelle ondergang. Je hoeft geen expert te zijn in monopolie, oligopolie, de theorie van onvolmaakte concurrentie of wat dan ook om dat te begrijpen; het is een elementair feit van ons bedrijfssysteem. En aangezien automatisering vaak verrassend goedkoop is en ook vaak op bestaande apparatuur kan worden toegepast, gaat het tempo snel omhoog.

In 1940 bedroeg de verkoop van data-apparatuur nul, in 1953 25 miljoen dollar, en in 1960 zal deze naar verwachting 500 miljoen dollar bedragen. Instrumenten voor industriële besturing werden in 1940 voor slechts 3 miljoen dollar verkocht, in 1953 voor 65 miljoen, en de schattingen voor 1960 liggen op 150 miljoen dollar.

Deze cijfers zouden niet veel zeggen zonder een maatstaf, dus laat me u vertellen wat professor Wassily van de Harvard University berekende voor de Scientific American van september 1952: als alle nieuwe fabrieken van 1950 geautomatiseerd waren geweest, zou dat 600 miljoen dollar extra aan apparatuur hebben gekost; in werkelijkheid werd er in dat jaar ongeveer 67 miljoen dollar uitgegeven, en dit was voldoende om ongeveer 10 procent van alle fabrieken die werden gebouwd te automatiseren. Aangezien de uitgaven sindsdien aanzienlijk zijn gestegen, kunnen we er zeker van zijn dat een aanzienlijk percentage van alle nieuwe gebouwde fabrieken geautomatiseerd is. Naar schatting zal de Amerikaanse industrie, als deze trend zich voortzet, binnen tien jaar volledig geautomatiseerd zijn tot een aannemelijke grens, wat betekent dat één persoon dan minstens het werk zal doen dat nu door vijf mensen wordt gedaan.

We komen nu bij de grote vraag: wat zal het effect van een dergelijke automatisering op onze economie zijn? De lucht is zwanger van geruststellende woorden. In wezen luidt het argument van de gewetensvolle verdedigers ongeveer als volgt: ‘We zijn bereid toe te geven dat er ontslagen en ontberingen zullen zijn, maar op de lange termijn zullen er meer banen worden gecreëerd. We hebben dit eerder meegemaakt en we hebben gezien dat technologische vooruitgang uiteindelijk tot meer banen leidde in plaats van minder.'

Hier zijn er verschillende invalshoeken, en ik stel voor om er een aantal te onderzoeken. Het verlies van banen als gevolg van nieuwe technologieën wordt deels gecompenseerd door toegenomen werkgelegenheid in de goederenindustrieën waar die nieuwe machines worden gebouwd. Ik benadruk ‘gedeeltelijk’ om de volgende reden: als er evenveel arbeid nodig zou zijn om de machines te bouwen als er door die machines wordt verdrongen, dan zou de machine niet rendabel zijn en niet worden gebruikt. Het heeft geen zin om meer aan lonen te betalen voor de bouw van een machine dan je kunt besparen door deze te installeren; je verliest dan geld.

Tijdens de eerste Industriële Revolutie en alle latere fasen tot aan de recente periode, was de behoefte aan kapitaalgoederen enorm; er ontstonden geheel nieuwe industrieën. Maar het opmerkelijke aan automatisering is dat het op grotere schaal dan ooit tevoren arbeid bespaart tegen relatief lage kosten, en dat het daarom de werkgelegenheid in de goederensector van het kapitalisme niet erg zal stimuleren. Wassily Leontief van Harvard, wiens werk ik eerder noemde, berekende de geschatte kosten van het automatiseren van kapitaalgoederen. Hij berekende de kosten als een percentage van de kosten van nieuwe apparatuur; dus als een chemische fabriek kan worden gebouwd voor 900.000 dollar en dezelfde apparatuur kan worden geautomatiseerd voor nog eens 100.000 dollar, dan bedragen de kosten van automatisering 10 procent van de totale kosten van de nieuwe installatie. Uit zijn cijfers blijkt dat automatisering voor een pulpfabriek 3 procent van de totale kosten van de fabriek bedraagt; in de chemische industrie en olieraffinage tussen de 5 en 6 procent; bij aardolieraffinage 3-5 procent; bij verpakte levensmiddelen 3-5 procent; bij de verwerking van ertsen 2-5 procent; bij rubber 5 procent; en bij tapijten 2-3 procent. Het hoogste percentage op zijn lijst betrof de vleesverwerking, met 19 procent, en het laagste percentage betrof kunstvezels en kunstgaren, met 1-2 procent. Het gemiddelde percentage was verbazingwekkend laag: slechts 6 procent. Leontief merkt hierover op: ‘De mechanisatie van de negentiende eeuw vereiste zware kapitaalinvesteringen en verliep traag; de nieuwe technologie, die niet wordt gehinderd door enorme kapitaalbehoeften, kan in een sneller tempo worden ingevoerd.'

De hoop op de groei van een omvangrijke nieuwe kapitaalgoederenindustrie, zoals die van een eeuw geleden, en op een stimulans voor de werkgelegenheid in die industrieën en in de daardoor gestimuleerde aanverwante sectoren, zal ongetwijfeld teleurgestellend zijn. Een fundamenteel verschil met de eerste industriële revolutie komt al naar voren zodra we het probleem bekijken. En niet alleen dat, maar de elektronische industrieën die de nieuwe apparatuur produceren, zijn zelf buitengewoon gevoelig voor automatisering. Een onderzoek van het Ministerie van Arbeid leert ons:

'De productie van elektronica lag in 1952 275 procent hoger dan in 1947, maar werd geproduceerd door slechts 40 procent meer werknemers. De productie per werknemer zou de komende jaren zelfs nog sneller kunnen stijgen als gevolg van verbeteringen in de productietechnieken ... Deze trends in de richting van ‘automatisering’ kunnen de komende jaren leiden tot de grootste vermindering van het aantal manuren in de geschiedenis van de industrie.'

De IUE-CIO heeft geschat dat 110.000 werkenden in de elektrotechnische industrie hun baan zijn kwijtgeraakt in de 21 maanden die eindigden op 30 november jongstleden, voornamelijk als gevolg van de toename van geautomatiseerde apparatuur. Deze feiten zijn van het grootste belang, want ze betekenen dat we geen massale aanwervingsgolf mogen verwachten in de belangrijke nieuwe industrie die voortkomt uit de nieuwe industriële revolutie.

Nu komen we bij het tweede aspect van deze kwestie. Technologische innovaties kunnen in twee hoofdcategorieën worden onderverdeeld: arbeidsbesparende kapitaalgoederen of nieuwe consumentenproducten. De draaibank of freesmachine zijn voorbeelden van de eerste categorie; de auto en de radio voorbeelden van de tweede. Economen hebben veel aandacht besteed aan het feit dat Marx weliswaar de effecten van machines die de productiviteit verhogen op de economie uitvoerig heeft onderzocht, maar nauwelijks aandacht schonk aan uitvindingen die nieuwe consumentenproducten op de markt brengen. En zij hebben er trots op gewezen dat de technologische revolutie van het begin van de twintigste eeuw in Amerika grotendeels draaide om de ontwikkeling van nieuwe producten, die de consumentenvraag stimuleerden en - via een proces dat te vergelijken is met het zich verspreiden van rimpelingen in de economie - een impuls gaven aan elk aspect van productie en consumptie. Hun trots was niet geheel ongegrond, dit feit droeg ertoe bij dat de Amerikaanse economie een tijdlang nieuwe vitaliteit had. Maar, zoals u duidelijk kunt zien aan de hand van de algemene feiten zonder dat ik statistieken of citaten hoef te geven, speelt dat geen rol in de huidige industriële revolutie. Deze revolutie richt zich louter op het verminderen van de arbeidsuren die in de bestaande consumptiegoederen worden gestoken. Daarom is de grote stimulerende factor uit het begin van de eeuw veel minder, en niet meer, van invloed.

Een ander kenmerk van de industriële revolutie uit het verleden, tijdens de hoogtijdagen van de eerste Henry Ford, was de sterke groei van de dienstensector. Hier is wat achtergrondinformatie nodig: toen David Ricardo, de grote Britse klassieke econoom, voor het eerst zijn aandacht richtte op het effect van arbeidsvervangende machines, merkte hij meteen op dat als een Engelse fabrikant de arbeiders die bv. door een nieuwe textielmachine werkloos waren geworden, in dienst zou nemen als bedienden op zijn landgoed - jachtopzieners, butlers, koetsiers, enz. - en het geld dat hij bespaarde door hen te ontslaan, zou gebruiken om hen opnieuw in dienst te nemen met als doel zijn persoonlijke leven luxueuzer te maken, dan zou het probleem van de technologische werkloosheid zijn opgelost. Dit door Ricardo opgemerkt axioma kwam in het begin van de twintigste eeuw in de Verenigde Staten op een bijzondere manier tot uiting. De klasse van bedienden nam niet toe, maar nam juist af, terwijl het aantal mensen dat voor de samenleving als geheel bedienende taken verrichtte enorm groeide. Ik heb het over de enorme expansie van de dienstensector: het personeel van luxehotels en resorts, het enorme leger medewerkers bij de tankstations en autowerkplaatsen in het land, het personeel van radiostations, de nieuwe veelheid aan agenten en handelaars van allerlei aard, enz. Toen er voor de kapitalisten en de middenklasse grote nieuwe consumptiemogelijkheden werden gecreëerd, en deze mogelijkheden een deel wegnamen van wat anders werkloos kapitaal zou zijn geworden dat aan de andere kant geconfronteerd zou zijn met werkloze arbeidskrachten, had dit een enorm economisch effect.

In de zeven vette jaren van 1923 tot 1929, in een tijd waarin de werkgelegenheid in de industrie langzaam daalde, steeg de werkgelegenheid in de dienstensector met maar liefst 70 procent en blokkeerde daarmee een tijdlang de druk op de arbeidsmarkt en de lonen in de industriële sector. De auto speelde de grootste rol in deze ontwikkeling. Maar in de nieuwe industriële revolutie valt een dergelijke groei niet te verwachten, omdat deze niet inherent is aan de technische aard van de huidige revolutie.

Het is duidelijk dat het kapitalisme de snelle technologische vooruitgang alleen kan verwerken als het sterk kan uitbreiden om nieuwe kapitalen te investeren en zo een deel van de verdrongen arbeiders weer aan het werk te krijgen. Tijdens de achttiende en negentiende eeuw groeide het kapitalisme zeer snel, niet alleen door de markt in de eigen domeinen te vergroten, maar ook ten koste van oude productiesystemen, waarbij het nieuwe gebieden in de eigen landen en in andere landen overnam. Zo werd in de periode van 1800 tot nu, toen de boerenklasse - die vroeger 80 procent van de bevolking uitmaakte en semi-onafhankelijk was van het kapitaal - was teruggelopen tot 20 procent van de bevolking, het kapitalisme in de loop van dit proces in staat om grote nieuwe gebieden voor investeringen te verwerven ten koste van een oudere economische vorm. Een van de redenen voor de uitzonderlijke kracht van het Amerikaanse kapitalisme was dat het dit proces meerdere malen kon herhalen. Het vernietigde een reeks van dergelijke boerenklassen en creëerde deze vervolgens opnieuw door middel van immigratie en een overvloed aan land, waardoor het meerdere malen het beste van twee werelden kon hebben. Maar die tijd is nu voorbij.

Het kapitalisme breidde zich ook uit ten koste van de koloniale gebieden. De econoom Fritz Steinberg heeft berekend dat, terwijl ten tijde van het schrijven van het Communistisch Manifest door Marx en Engels slechts 10 procent van de wereldbevolking rechtstreeks onder het kapitalistische systeem leefde, dit percentage in 1914 was gestegen tot 30 procent. Stel je voor dat het kapitalisme gedwongen was geweest om zijn investeringen te blijven uitbreiden en overtollige arbeidskrachten binnen diezelfde 10 procent van de wereld opnieuw in dienst te nemen! Dat zou onmogelijk zijn geweest. Maar sinds 1914 is die kapitalistische 30 procent niet alleen niet gegroeid, maar zelfs iets gekrompen, bovendien is 35 procent van de wereldbevolking definitief uit de invloedssfeer van het kapitalisme gehaald. Het contrast is verpletterend en toont aan dat het wereldkapitalisme ernstige stoornissen zal ontwikkelen bij het verwerken van deze nieuwe industriële revolutie.

Ik heb geprobeerd te reageren op de luchtige bewering dat het kapitalistische systeem de nieuwe revolutie net zo soepel zal opvangen als het bij de oude machines deed - door uit te breiden en zich aan te passen. Maar om de vergelijking te kunnen maken, heb ik deze bewering - dat de laatste industriële revolutie door het kapitalisme werd overwonnen - voor waar aangenomen. In werkelijkheid is het verhaal heel anders. De aanpassingen werden zeer slecht doorgevoerd en gingen gepaard met enorme industriële reservelegers. En uiteindelijk brak het moment aan waarop het systeem zich helemaal niet meer kon aanpassen.

We hadden aan het begin van de eeuw een enorme productiviteitsstijging, zo vertellen de zakkenvullers ons, en we hadden steeds meer werkenden, en ook betere banen. Maar wat gebeurde er toen? De enorme productiegroei, waarbij de consumptie door de werking van het kapitalistische systeem geen gelijke tred kon houden, stortte ons in de meest verwoestende depressie uit de geschiedenis, met zelfs aan het einde ervan nog 10 miljoen werklozen - tot een oorlog ons economisch uit die crisis haalde. Dat is waar de ‘banen-creërende’ lopende band van Henry Ford ons uiteindelijk bracht; en dat verhaal wordt ons nooit wordt verteld wanneer we worden gewezen op de wonderbaarlijke prestaties van de technologie in onze vroegere economie.

Alle vergelijkingen met vroegere tijden wijzen onmiskenbaar naar één conclusie: als het kapitalisme in de Verenigde Staten erin slaagt een volledige automatisering te realiseren - wat het logische eindpunt is waar de industrie naartoe gaat - zullen de gevolgen verwoestend zijn. De Amerikaanse economie zal zichzelf in een impasse hebben gemanoeuvreerd. En de grote belofte van automatisering in een samenleving - een onderwerp dat voor een andere keer moet worden bewaard - moet ongetwijfeld duidelijk zijn voor iedereen die begrijpt dat een economie die produceert voor gebruik in plaats van voor winst, te lijden kan hebben onder onze huidige overvloed aan rijkdom.

Marx in de moderne wereld

Uit American Socialist, mei 1958.

Zoals eerder aangegeven, hoewel het moeilijk is om een relatief gewin voor de arbeid ten opzichte van kapitaal aan te tonen, bestaat er geen enkele twijfel over dat de arbeiders in de geavanceerde kapitalistische landen de afgelopen eeuw een grote stijging van de levensstandaard hebben genoten. Het is dit feit, meer dan enig ander, dat aanleiding was voor discussies onder socialisten - al meer dan een halve eeuw - over Marx’ zogenaamde ‘wet van de toenemende armoede’ en de theorie van het ‘subsistentie’ loon. De achtergrond van deze discussies is als volgt: Marx sloot het eerste deel van zijn magnum opus af met een verhandeling van vijf hoofdstukken over de accumulatie van kapitaal, waarin hij de eenvoudigere elementen die hij eerder had geabstraheerd, samenbrengt. Binnen dit deel bevindt zich een hoofdstuk getiteld Algemene wet van de kapitalistische accumulatie, en in dat hoofdstuk wordt een wet van polarisatie van rijkdom geformuleerd, waarbij de toename van het kapitaal in evenwicht wordt gehouden door de toename van de armoede - waaruit de controversiële "theorie van de toenemende armoede" is afgeleid. Zowel voor- als tegenstanders hebben dit over het algemeen geïnterpreteerd als een theorie dat de lonen de neiging hebben te dalen, en hebben het dienovereenkomstig betwist.

Marx heeft ooit wel degelijk een ‘wet’ geformuleerd, dat de lonen de neiging hebben te dalen, in zijn reeks lezingen uit 1847 die later werden gepubliceerd als Loonarbeid en kapitaal. Hier stelde hij dat, naarmate de arbeider zijn gespecialiseerde ambachtelijke vaardigheden verliest, de concurrentie tussen arbeiders de lonen zou doen dalen. Binnen enkele jaren verwierp hij deze generalisatie echter en veroordeelde hij Lassalle omdat deze de ‘ijzeren loonwet’ aanvaardde die Ricardo van Malthus had overgenomen. Toen hij, met een volledig uitgewerkte gedachtegang, het lot van de arbeider in de moderne kapitalistische industrie ging bespreken - in het hierboven genoemde hoofdstuk over kapitalistische accumulatie - leek hij de dalende lonen uit te sluiten van de reeks kwaden die hij voorspelde, door te zeggen: ‘Het gevolg is dat, naarmate het kapitaal toeneemt, de situatie van de arbeider, of zijn loon nu hoog of laag is, onvermijdelijk verslechtert.'

Marx’ zorgvuldige voorbehoud, dat ik hierboven cursief heb weergegeven, is vrij behoorlijk aan de aandacht van velen ontsnapt, aangezien het werd overstemd door het gebulder van zijn artillerie rond het thema ‘toenemende armoede’. Het moet ons vandaag, nu we hebben gezien in hoeverre de reële lonen kunnen stijgen, als onnodig overkomen. Maar hoe terughoudend het ook mag zijn geweest, zijn bezorgdheid over dit punt van zijn theorie was reëel genoeg, zoals bleek in 1875, enkele jaren na de publicatie van Het Kapitaal, toen hij zich scherp uitliet over het programma dat door de Duitse sociaaldemocraten op het congres van Gotha was uitgewerkt. De aanhangers van Lassalle hadden daarin de ‘ijzeren loonwet’ opgenomen. Marx noemde dit ‘een werkelijk weerzinwekkende achteruitgang’. Hij herhaalt nogmaals dat zijn veroordeling van ‘loonslavernij’ niet afhangt van de vraag of het loon van de arbeider ‘beter of slechter’ is, en voegt daaraan toe: ‘Het is net alsof onder slaven die eindelijk het mysterie van de slavernij hadden doorgrond en in opstand waren gekomen, een slaaf, doordrongen van achterhaalde opvattingen, op het programma van de opstand zou schrijven: "... de slavernij moet worden geliquideerd omdat onder het systeem van slavernij de levensmiddelenvoorziening van de slaven niet kan uitstijgen boven een zeker, zeer laag minimum!"'

Deze bezorgdheid van Marx dat zijn theorie niet aan een loonniveau zou worden gekoppeld, zoals Marx had aangetoond, werd waarschijnlijk nog versterkt door de stijging van de reële lonen die hij tijdens zijn eigen leven kon waarnemen.

Op puur theoretisch niveau was Marx’ analyse opgebouwd uit verhoudingen, vergelijkingen en proporties, niet uit absolute grootheden. De omvangrijke uitwerking van de algemene theorie van de kapitalistische accumulatie is volledig gebaseerd op de verhouding tussen betaalde en onbetaalde arbeid. Hieruit trekt Marx zijn economische conclusies, en het belangrijkste van alles is dat hij hieruit de klassenstructuur van zijn tijd afleidt - de ‘polarisatie van rijkdom en armoede’ die de kern van zijn denken vormt.

Dit alles is niet bedoeld om aan te tonen dat Marx’ analyse onberispelijk of helderziend was. Integendeel, zij lijdt ernstig onder de veroudering die zelfs de beste theorieën treft wanneer zij niet de correcties ondergaan die het verstrijken van de tijd en de gebeurtenissen vereisen. Marx verwoordde de algemene wet van de kapitaalaccumulatie in een retoriek die paste bij de omstandigheden van zijn tijd. Tegenwoordig zijn veel van deze zaken, zoals Strachey terecht opmerkt, heel anders. Engels zou tegen het einde van zijn leven erkennen dat het kapitalistische systeem ‘het door mij vijftig jaar eerder beschreven jeugdstadium van uitbuiting was ontgroeid’, en sprak de hoop uit dat de arbeiders zich meer zouden kunnen concentreren op en tegen ‘het kapitalistische systeem zelf’, in plaats van louter tegen specifieke vroege omstandigheden. Vandaag de dag hebben we die erkenning veel harder nodig dan Engels zich ooit had kunnen voorstellen.

Hoewel de verhoudingen tussen betaalde en onbetaalde arbeid nog steeds bestaan, is van de drie belangrijkste manieren die Marx noemde voor een toename van onbetaalde arbeid - een langere werkdag, toenemende productiviteit en een hogere arbeidsintensiteit - vooral de tweede in het spel gekomen. De vakbonden hebben hier veel mee te maken gehad, zoals Strachey zegt, maar ongeacht de reden is de toegenomen winst voornamelijk verkregen door een hogere productiviteit, waardoor een grote en onvoorziene stijging van het loonniveau mogelijk werd, zelfs terwijl de verhoudingen tussen betaalde en onbetaalde arbeid grotendeels gelijk bleven.

In ten minste enkele landen is de levensstandaard van de arbeidersklasse daardoor gestegen en gedurende lange perioden gestabiliseerd. Deze ligt ruim boven die van de klassen die zij blijft verdringen. De transformatie van verarmde boeren tot loonarbeiders wordt niet langer beschouwd als een onomstotelijk bewijs van verarming. Het brutale proces waardoor de arbeidersklasse tot stand kwam, is tot het verleden gaan behoren. De klassenstructuur die Marx in zijn tijd met bittere intensiteit beschreef, bestaat vandaag de dag dus onder sterk gewijzigde omstandigheden, en geen enkele poging om de algemene wet van de kapitalistische accumulatie in traditionele marxistische retoriek te presenteren, kan de gemiddelde persoon bereiken, die in zekere zin de beste beoordelaar van deze kwestie is.

Beoordeeld in het licht van Marx’ totale analyse en niet in de vorm van een veelbesproken fragment of een alinea, is het probleem niet een ‘oorspronkelijke fout maar een ongewijzigde veroudering’, om de uitdrukking van een econoom uit een andere school te lenen. Marx’ beschrijving van de omstandigheden die deze wet in zijn eigen tijd teweegbracht, verdedigen als een getrouwe weergave van de huidige omstandigheden, zou niets minder zijn dan tot waanzin verheven dogmatisme. Maar de werking van deze wet creëert in ons eigen tijdperk problemen van een nieuwe soort. Er is geen krachtigere manier om de dynamiek van een kapitalistische economie te analyseren dan het blootleggen van het verband tussen kapitaalaccumulatie en de vraag naar arbeidskrachten; dat is immers de manier waarop Marx dit probleem benaderde. In de afgelopen jaren heeft de orthodoxe economie weer enig nut kunnen verwerven door, via Keynes, deze analysemethode te benaderen, zij het in een verwaterde en oppervlakkige vorm. Er valt niet te ontkennen dat, hoewel de levensstandaard is gestegen en de gehele economie zich naar een hoger niveau heeft bewogen, het juist Marx’ ‘bewegingswet’ van het kapitalisme is die de herhaalde moeilijkheden van het systeem het meest diepgaand verklaart, en dat de grootste van deze crises niet -in Marx’ tijd plaatsvond, maar in de onze.

Als we dezezelfde benadering toepassen op Marx’ theorie van het ‘subsistentieloon’, komen we tot vrijwel hetzelfde resultaat. Marx had gesteld dat lonen schommelen rond een niveau dat voldoende is om een arbeidersklasse in stand te houden, te bestendigen en op te leiden. Strachey wijst erop dat de reële lonen van Britse arbeiders sinds de tijd van Marx zijn verdubbeld en in Amerika meer dan verdrievoudigd; hij verwerpt daarom de theorie en noemt het Marx’ ‘oorspronkelijke fout’ die ‘een groot gat’ in zijn hele systeem heeft geslagen. [Earl] Browder trekt Stracheys standpunt tot het uiterste door en komt er met behulp van eenvoudige rekenkunde achter dat de Amerikaanse arbeider nu minstens zes keer zoveel verdient als het ‘bestaansminimumloon’. De redenering: aangezien Marx het loon van de Britse arbeider uit het midden van de negentiende eeuw een ‘minimumloon’ noemde, en aangezien de Amerikaanse arbeider vandaag de dag volgens de cijfers meer dan zes keer dat bedrag aan reëel loon ontvangt, bestaat het loon van de Amerikaanse arbeider voor vijf delen uit ‘maatschappelijke meerwaarde’ bovenop het minimumloon. (Gelukkig heeft Browder niet het loon van de Chinese koelie ten tijde van de Opiumoorlogen als uitgangspunt genomen, anders zouden we tot de conclusie komen dat we een loon ontvangen dat duizend keer hoger ligt dan het bestaansminimum.)

Het feit dat alle begrotingen die door Amerikaanse overheidsinstanties of universiteiten zijn berekend om te voorzien in een ‘minimum aan gezondheid en fatsoen’, jaar na jaar regelmatig boven het gemiddelde van de arbeidslonen liggen, zou ons moeten waarschuwen dat er iets mis is met deze benadering. Het spreekt voor zich dat geen enkel arbeidersgezin ook maar enigszins in zijn levensonderhoud kan voorzien met een zesde van het huidige gemiddelde loon, wat neerkomt op zo'n 12 à 13 dollar per week. Marx hield hier rekening mee door uit te leggen dat ‘bestaan’ varieert naargelang de plaats en de tijd, aangezien lonen, ‘in tegenstelling tot de waarde van andere koopwaren, een historische en morele factor’ bevatten. Het is dan ook duidelijk dat de term ‘bestaan’ niet bedoeld was om één enkel loonniveau aan te duiden, noch was deze technisch gezien verbonden met een specifieke emotionele lading.

Het gaat hier niet om het herhalen van elementaire grondbeginselen van Marx’ economie, maar om er nogmaals op te wijzen dat de moeilijkheden van de theorie niet voortkomen uit ‘een oorspronkelijke fout, maar uit een ongewijzigde veroudering’. Het lijdt geen twijfel dat van een klasse op het huidige niveau van de Amerikaanse arbeiders niet kan worden verwacht dat zij de woorden van het traditionele socialistische strijdlied letterlijk neemt: ‘Tot 't merg en been wordt d’ arme uitgezogen.’ In die zin vereist het marxisme een modernisering om aan te sluiten bij de huidige wereld; Strachey heeft volkomen gelijk in die algemene bewering. Maar kunnen we economische concepten terzijde schuiven zonder welke het onmogelijk is ons huidige systeem te begrijpen? Geen enkele loontheorie kan juist zijn als zij het concept van Marx uitsluit, ongeacht welke woorden worden gebruikt om het te omschrijven, omdat dit de enige manier is waarop de indeling van de samenleving in klassen kan worden verklaard, waarvan de ene rijkdom vergaart terwijl de andere elke ochtend terugkeert naar fabriek of kantoor om de voorwaarden van haar bestaan te vernieuwen. Als we op dit late moment gaan spelen met het idee dat ‘de lonen zijn gestegen tot zes keer het bestaansminimum’ - wat wil zeggen dat de arbeider in zijn eerste acht arbeidsjaren genoeg kan verdienen om zijn gezin een volle 48 jaar lang te onderhouden, zelfs zonder investeringen - dan maken we van de kapitalistische wereld een onverklaarbaar mysterie.

In de voorgaande bespreking is geen poging gedaan om het onderwerp in zijn geheel te behandelen. Een of twee specifieke actuele geschillen, zoals die aan de orde zijn gekomen in de Europese controverse, beschreven aan het begin van dit artikel, zijn onder de loep genomen in een poging een benadering te schetsen van de problemen van het socialisme in de geavanceerde kapitalistische landen. Er is duidelijk behoefte aan een veel uitgebreidere discussie. Hier blijft slechts ruimte over om de dimensies van het probleem te schetsen, die mij als volgt voorkomen:
Alle bovengenoemde moeilijkheden in het marxisme vloeien duidelijk voort uit het feit dat het kapitalistische systeem heeft standgehouden en zich herhaaldelijk heeft hersteld, gedurende een veel langere periode dan was verwacht. De grote toename van de arbeidsproductiviteit, die zulke nieuwe en verschillende omstandigheden heeft gecreëerd, was niet onverwacht binnen de marxistische economische structuur - een structuur die, als geen andere voor of na, zich richtte op de technologische revoluties waaraan het kapitalisme voortdurend moet werken als voorwaarde voor zijn voortbestaan. Wat onverwacht was, was de levensduur van het kapitalisme en zijn vermogen tot expansie. Marx en de beweging die hij vorm gaf, gingen uit van een nabij zijnde crisis. Als hij nooit heeft nagedacht over de levensstandaard die inherent is aan een kapitalisme dat de wetenschap en de industrie nog honderd jaar lang zou blijven revolutioneren, dan was dat omdat hij dacht dat hij te maken had met een systeem dat in hoog tempo zijn ondergang tegemoet ging. Hij dacht dat de sociale oorlogen die het socialisme zouden inluiden, zouden plaatsvinden onder de sociale omstandigheden die hij om zich heen zag. In die zin hangt de economische achterhaaldheid die we vandaag de dag gemakkelijk in zijn werk kunnen ontdekken, samen met zijn fouten van politieke kortzichtigheid.

Nu leven we in een tijd waarin het socialisme, hoewel het duidelijk op de historische agenda staat, vorm zal krijgen onder omstandigheden die ver afstaan van die waaronder de socialistische beweging oorspronkelijk haar stempel kreeg.

Elke beweging ontwikkelt haar eigen stijl, retoriek en manier om zich te laten horen. Het socialisme ontstond in de ondraaglijke omstandigheden van de vroegste arbeidersklasse en laaide op met de barricadenstrijd van de revoluties van 1848, waarin het begon in zijn kinderschoenen. In plaats van mee te evolueren met de veranderde omstandigheden, bleven deze toon en aanpak in een geblokkeerde starheid voortbestaan die soms zelfs die van Marx overtrof. Een van de belangrijkste redenen was dat de eerste van de langverwachte revoluties uitbrak in een land waarvan de toestand meer paste bij het Europa van het begin van de negentiende eeuw dan bij dat van het begin van de twintigste, en waarvan de sociale strijd dat feit weerspiegelde. Om de moeilijkheid nog te vergroten, raakte die revolutie aan de top verstard en bureaucratisch, en stond zij erop al haar vooroordelen en dogma's aan de wereldwijde socialistische beweging op te leggen. Het resultaat was een communistische formatie, de erkende bewaarder van het ‘marxisme’, met een tijdgeest uit een andere eeuw en een verlamde mentaliteit. Is het dan zo vreemd dat het zo moeilijk is om het marxisme weer boven water te halen en het in een bruikbare vorm te herstellen?

Als de idee juist is dat het probleem niet ligt in een ‘oorspronkelijke fout’ maar in de niet-gecorrigeerde veroudering, dan is het niet zozeer de taak om te kijken waar ‘Marx het bij het verkeerde eind had’, maar om zijn theorie op een nieuwe manier toe te passen op de wereld om ons heen zoals die nu is, niet zoals die ooit was. Om een vergelijking uit de natuurkunde te lenen: we hebben socialistische Faradays en Maxwells nodig, of, als we geluk hebben, Einsteins en Plancks, en geen mensen die zich beperken tot het bekritiseren van Isaac Newton.

Noot.
Harry Braverman had blijkbaar geen kennis van Marx’ zienswijze - zie de Grundrisse (Zoek daar naar De diefstal van de arbeidstijd) - over de ontwikkeling van de verhouding arbeidswaarde en automatisering.